Lieve Haffie (4)

Jaja, wat gaat het eigenlijk alweer snel hè. De laatste keer dat we elkaar zagen dreigt alweer de voorlaatste te zijn, voor een lange tijd. Het helpt me wel om een sterkere connectie met Apeldoorn te krijgen. Ik zal daar niet meer terug kunnen komen zonder aan jou te denken. En aan dit dagboek. Want sinds ik schrijf, behaal ik louter triomfen!

Vijfde ronde

Mijn tegenstander is Michiel Kroesbergen. Een speler waar je een boek over zou kunnen vullen. Gelukkig heeft hij dat zelf al gedaan (‘Dammen zoals ik het bedoeld heb’), ook al gaat dat niet alleen maar over hem. Dat zou overigens wel mogen, want hij is een speler naar mijn hart: hij speelt namelijk met zijn hart. En met levensgevaarlijke berekeningen. Michiel in goeden doen is met zijn hypercreatieve spel een gevaar voor elke speler. Dat heb ik zelf in augustus nog hardhandig ondervonden tijdens mijn nederlaag tegen hem in het MTB Open, dat hij glorieus op zijn naam schreef.

Dus hoe hem te benaderen? Hij heeft een voorliefde voor half-open klassiek, dat hij bijna in elke partij op het bord weet te krijgen. En dan is hij daar nog productief mee ook. Gezien de stand in de poule (een punt voorsprong op hem) hoef ik zelf geen risico te nemen. Maar in dat half-open klassiek is het vaak lastig in te schatten wat nu risicovol is en wat niet. Hij is wit, dus de 1. 31-27 opening moet ik sowieso even bekijken.

Opening

1. 32-28. Hé, verrassend. Misschien wil Michiel de boot afhouden, en toeslaan in de resterende twee rondes? Ik weet niet echt wat ik moet doen, dus doe maar (17-21) om de bal weer bij de tegenstander te leggen. 31-26 (19-23) 26×17 (11×22) à la Roel Boomstra, die zelf tegen Michiel wel succesvolle rustige partijen heeft gehad. 28×17 (12×21) 33-28 (23×32) 38×27?! (21×32) 37×28. Oh, hij hakt echt alles eraf… Ik ken inderdaad ook wel partijen waarin Michiel met een dergelijke stijl GMI’s afstopt. Maar echt problemen heb ik daar niet mee, nu kan ik gevaarloos op winst spelen.

Diagram 1

Een typische Roel-stand (Diagram 1) waarin zwart iets beter staat, doordat bij wit de beruchte passieve vork <45, 40, 35, 34> staat, terwijl zwart die schijven aan zijn kant mooi heeft opgelost. Roel speelde laatst in de competitie tegen Bart Terwel, toen ging het iets als (11-17) 36-31 (2-7) 31-27 (17-22) 37-31 en de 2-om-2 naar veld 36, met mooi spel, vooral voor zwart.

Maar wat nou als ik 36-31 helemaal niet toelaat? Die is immers verhinderd. Dus laat ik (14-19) proberen. 34-29 (23×34) 39×30. Tja, zo wordt supervaak gespeeld; maar daarmee lost wit zijn probleem met de passieve schijven op 45 en 40 niet op. Ik moet eigenlijk nog een keer een artikel schrijven getiteld “Sla 40×29 (11×22)!” om mensen van die 39×30/12×21-verslaving af te helpen. Want dan komen die schijven tenminste in het spel! Zo eng is een halve hekstelling nu ook weer niet. Dus ik zou 37-32, 41-37 en 34-29×29 overwegen (onder het mom van ‘practice what you preach’…).

Middenspel

Diagram 2

Tja, het is wit nu (Diagram 2) wel gelukt de schijven op zijn rechtervleugel enigszins te ontwikkelen (vooral schijf 35); misschien had ik in het eerste diagram toch maar 11-17 moeten spelen; daar heb ik nu nog niet eens tijd voor gehad… Maar goed, ik heb nog wel een aanknopingspunt in schijf 29 en witte schijf op 36 is zwak. Hij is aan zet, als hij nu gaat werken aan de ontwikkeling van zijn lange vleugel met 37-32, 32-28 is het lastig; waarschijnlijk moet ik de 2-om-2 terug dan vooral juist wél toelaten, want een ruil met 20-24×24 maakt mijn stand wat statisch. Maar hij speelt 48-43. ”Néé, Michiel, dat lijkt me geen goede zet!”, wil ik haast zeggen. Alleen een basisschijf opspelen als het functie heeft, prentte mijn eerste trainer Martin Dolfing me in. Misschien wordt het dan toch nog wel wat deze partij.

Diagram 3

Ik heb nu (Diagram 3) toch echt wat druk gekregen: al mijn schijven staan óf actief, óf mooi (1, 3 en 4). Het is nu aan Michiel om zich onder de druk weg te spelen. Ik zit te rekenen, kan 36-31 (21-26) 29-23 (18×29) 34×23 (19×28) 32×23 misschien? Dat ziet er natuurlijk wat gammel uit, maar ik zie niet hoe zwart kan verhinderen dat wit tot 47-42, 41-36 en 31-27×27 komt. Dan zijn witte zwaktes wel opgelost. Typisch een Michiel-oplossing: rekenen, rekenen, rekenen en dan met de scherpste zet komen die de problemen oplost. Maar nee, hij speelt 47-42 (21-26) 39-33 (4-9) 32-28. Dat is ook opmerkelijk; als hij eerst 44-39 of 43-39 doet en dan pas 32-28, kan ik de stand niet meer sluiten. Dus ik doe (12-17).

Diagram 4

Nu (Diagram 4) moet je toch erg oppassen met wit; na 43-39 kan ik bijvoorbeeld (20-24) 29×20 (14×25) doen, dan dreigt positioneel (18-23). Dus 34-29 (19-24) 29×20 (15×24) en dan lijkt de witte stand opeens wel erg gammel, want er zijn op beide vleugels wat problemen. In de diagramstand wordt 44-39 gevolgd door soortgelijke varianten, waarin het gat op 44 wit wel eens op zou kunnen gaan breken. Dus hij doet 37-32, dat lijkt inderdaad goed, om op (20-24) 29×20 (14×25) 32-27×27 te kunnen ruilen; na (18-23) 27-22! zit er dan geen zetje in voor zwart.

Maar ik speel volgens plan (20-24) 29×20 (15×24(!)). Er dreigt nu een dammetje met 22-27, 24-29; na 32-27×27 komt nu wel 18-23! met altijd dam en ook 44-39 verliest direct door 18-23. Dan kan nog 33-29 of 34-29; na 33-29 (24×33) 28×39 kan op z’n minst al 26-31 met dreigende schijf op 36. Na 34-29 kan ik niets forceren en zou ik (14-20) doen, gevolgd door een goed getimede tergruil (17-21), om met de poot 7-12-18 wat druk te zetten (zoals Schwarzman in de tweede matchpartij tegen Boomstra had kunnen doen).

Michiel speelt nóg een andere zet: 43-39. Op (18-23) heeft hij nu natuurlijk 33-29, maar ik kan toch (26-31) 36×27 (22×31) ruilen, omdat op 41-36 weer een Haarlemmer volgt met 18-23, 23-29 en 17-22? Ah, in plaats van 41-36 komt dan 34-30(!) (24×35) 41-36, dat heeft Michiel slim bedacht. Maar wacht eens even, offeren, dat kan ik ook! (24-30!) 34×25 (18-23!), zie Diagram 5.

Diagram 5

Een dodelijke kettingstelling! Want 22-27 dreigt, terwijl ook 40-34 niet mag vanwege standaard (22-27) 32×12 (23×43) 39×48 (13-18) 12×23 (19×50). Na 40-35 lijkt (22-27) 32×12 (18×29) 35-30 (34-39) gewoon te kunnen. Dus dan moet hij al 25-20 (14×25) 40-34 doen, waarmee hij zijn problemen in het geheel niet oplost. Dus ik ga van Michiel winnen? Wow! Ik had niet gedacht me zo soepel voor het NK te plaatsen… Maar wacht, ik moet rustig blijven. Michiel is nog aan het nadenken, misschien heb ik iets gemist. Gelukkig heb ik laatst wat relaxatietechnieken geleerd, laat ik dat eens proberen, ik heb nu toch de tijd.

Ja, heerlijk, ik ben wat rustiger. Na een lange tijd nadenken komt inderdaad 25-20 (14×25) 40-34. Nu kan ik direct schijfwinst forceren met 9-14, maar 13-18 ziet er eigenlijk ook wel aantrekkelijk uit; als ik alle combinatieve wendingen in de gaten houd, komt hij nooit meer uit die ketting… Maar direct schijfwinst is wel zo fijn. Dus ik doe (9-14), dreigt weer dodelijk 22-27 en hij geeft inderdaad een schijf met 34-29 (23×43) 38×49, zie Diagram 6.

Diagram 6

Het makkelijkste zou zijn om nu wéér die ketting in te nemen. Hoe gaat het na (13-18) 32-27 (22×31) 36×27 (18-23) 27-21 (23×32) 21×12 (32-38) eigenlijk? Dan móet wel 12-7/8 (38×36) 7/8-2 en sta ik drie schijven voor. Moet een winnend eindspel zijn. Ah, ik kan dan (19-23(!)) spelen, omdat op 2-19 (26-31!) 19×26 (3-8!) 26×20 (25×14) volgt! Nou, dan vertrouw ik het wel. (13-18) 41-37. Michiel gelooft het dus ook; (18-23) 49-43 (14-20) 42-38 (17-21) 28×17 (21×12). Een schijf voor en wit heeft geen compensatie. Dat moet lukken.

En het lukte ook, na 54 zetten had ik gewonnen. Zie de hele partij hier. Wat een geluk! +3 na vijf rondes, en met twee rondes te gaan twee punten voorsprong op mijn concurrenten! Dat geeft een fijn gevoel. Tijd om mezelf te trakteren. De eerste bakker/supermarkt is een eindje lopen, maar dat is ook wel goed. Tijdens het lopen denk ik ook over Michiel; hij had tot de halve finale zo’n goed seizoen met toernooiwinst in Hoogeveen en later ook goede resultaten. In deze partij was hij echt zichzelf niet, qua speelstijl en ook qua niveau. Offertjes ziet hij normaal gesproken wel. Nouja, hij is gelukkig nog niet direct kansloos voor het NK, er zijn nog twee rondes te gaan.

Zesde ronde

Om 15.00 uur spelen we weer, de focus moet er weer zijn. Ik speel tegen Cor Westerveld, speler met de laagste rating in onze poule. Voor aanvang van het toernooi en deze speeldag zag ik het als een partij die ik eigenlijk móet winnen. Soms is het fijn zulke tegenstanders in het begin van het toernooi te hebben, ‘dan heb je de punten alvast binnen’ (maar stel dat het niet lukt van ze te winnen; dan moet je tegen sterkere spelers gaan forceren…). Mijn uitgangspositie nu is heerlijk, ik hóef niet eens te winnen. Dus laat ik maar gewoon lekker dammen.

En het klinkt een beetje arrogant (en gevaarlijk, zoals elke gedachte aan het resultaat), maar ik speelde met de gedachte dat ik de partij hoe dan ook zál gaan winnen. Ik vind dat Westerveld een mooie speelstijl heeft, hij houdt van randspelstrategieën. In de opening gebeurt er meestal niets ernstigs en ook zie ik hem niet vaak in zetjes lopen. Maar volgens mij gaat het tegen sterke spelers in het (late) middenspel eigenlijk altijd mis. Ik herinner me een eerdere partij van mij tegen hem, waarin ik in de eerste helft van de partij eigenlijk niet zoveel klaarspeelde, ook niet echt tevreden was; maar in de tweede helft wist ik na fouten van hem uiteindelijk zó makkelijk te winnen… Vandaar mijn vertrouwen in een goede afloop.

Middenspel

Vanwege bovenstaande begin ik dan deze keer ook maar in het middenspel, zie Diagram 7. Ik probeerde in de opening normaal, maar ook wel een beetje slim te spelen. Westerveld heeft wel één gekke zet gedaan, dat was 21. … 4-10, waardoor zwart nu met achtergebleven schijf op 5 en 10 zit. Ik heb een zo normaal mogelijke stand opgebouwd. In Salou zag ik Gantvarg eens uitleggen aan Kees Thijssen dat je altijd vrij gedachteloos deze witte stand kunt opbouwen. Omdat je zoveel speelplannen hebt, zit er eigenlijk altijd wel een goede tussen.

Maar wat is nu het goede speelplan? Eigenlijk zijn alle zetten serieus, behalve 36-31 en 37-31. Dus laat ik ze allemaal maar bij langs gaan. Direct 28-22 lijkt hier ook niet haalbaar in verband met 24-29×29. Hoewel een Ghestem-doorstoot tegen dat klaverblaadje 16-21-26 vaak wel een goed idee is, wil ik hem hier ook in andere varianten eigenlijk niet spelen omdat a) wit een schijf op 36 heeft; b) zwart nog kan ruilen met 11-17×17. Zo denk ik dat zwart na 34-30 (20-25) 28-22 (25×34) 40×20 (15×24) 33-28 wel een behoorlijke optie moet hebben met óf (12-17) óf een keer ontwikkeling via 23-29, 18-23, 12-18, 11-17×17.

Diagram 7

34-29×30 valt ook af vanwege (20-25!), omdat 28-23 als een boomerang werkt: (19×39) 30×17 (11×31) 36×27 (18-23!) 43×34 (23-28) 32×23 (21×41). In de diagramstand kan 34-29×29 wel, maar ik ben niet tevreden over de stand na (20-25) 29×20 (15×24). Dan sta ik met wit na de 2-om-2 met 27-22, 28-23 (op enig moment) wel mooi, maar schijf 10 komt in het spel en bovendien heeft zwart dan opeens baat bij zijn tempovoorsprong, in tegenstelling tot in de symmetrische klassieke structuren.

Dus wat moet ik eigenlijk spelen? Gelukkig heb ik nog een laatste optie (die ik ook van tevoren wel berekend had): 27-22(!) (18×27) 37-31 (26×37) 42×22. Op deze manier kan ik de zwarte stand in toom houden. Op (12-18) heb ik 34-29(!) (23×34) 39×30 (18×27) 28-23 (19×37) 30×8. Zwart moet nu ook wel doorbreken met (27-31) 36×27 (21×32) 38×27 (37-41). Het staat gelijk, maar het eindspel ziet er goed uit voor wit vanwege meerdere goede opties: hetzij 8-2 met de dreiging 27-21, hetzij 8-3 en vervolgens het in stand brengen van een vangstelling met 40-34. Dus voor zwart niet logisch om te spelen. Met (12-17) zou zwart zijn eigen stand splijten, want na bijvoorbeeld 34-30 (13-18) 22×13 (19×8) 30×19 (23×14) is wit heer en meester op het bord. Vandaar dat Westerveld (11-17) 22×11 (6×17) speelt. Ik doe 36-31. Vanwege het ontbreken van een schijf op 8 is 24-29×29 in dit geval geen optie, omdat dan simpelweg 31-27 komt, gevolgd door 39-33. Wit staat daarom aan de rand van de afgrond.

Diagram 8

Maar dan moet je het nog wel altijd secuur afmaken. Zwart heeft hier net een noodgreep gepleegd met (23-29). Ah, het idee is duidelijk: op 39-34? komt (26-31!) 34×12 (31×22) 28×26 (13-18) 12×23 (19×28). Dat is wel leuk. Ik moet ook vooral niet 42-37 (18-23) 27-22 (5-10) 40-34 (29×40) 35×44?? (45×34 zal nog wel zo’n beetje winnen, omdat de 1-om-2 met 24-30 niet mag) doen, vanwege de altijd verrassende Coup Ricou met 24-30! en 13-18!. Dus, 42-37 (18-23) 40-34 (29×40) 35×44 misschien? Dan (24-29) 33×24 (20×29) 39-33 (29-34) 44-39 (want op 33-29 plak zwart) (15-20) 39×30 (20-24) en hoe win ik dan eigenlijk?

Het kan vast makkelijker, ja, na 40-34 (29×40) 35×44 zie ik nog geen problemen, op 24-29×29 kan ik dan wel gewoon twee keer aanvallen. (18-23) 44-40. Want na (26-31) 27×36 (21-27) 32×21 (16×27) heb ik een gratis doortocht naar dam na 28-22! (27×18) 33-28 (23×32) 38×27 etc. Hij speelt nog (5-10) 42-37 (13-18) 40-35 en gaat dan door zijn vlag in hopeloze positie. Zo, de ik-zal-deze-partij-wel-winnen-insteek heeft me gelukkig niet opgebroken. Het was eigenlijk wel een strakke partij, ondanks de vele berekeningen met allerlei soorten overgangen. Zie de hele partij hier.

Conclusie

Wat een dag weer. Twee behoorlijk strakke partijen en twee keer resultaat. Dammen kan dus ook gewoon leuk zijn als je niet je hoofd in de strop steekt, maar gewoon strategisch probeert te spelen! Plus vier, wat een luxe! Met nog een ronde te gaan drie punten voor, dus verzekerd van de eerste plek in de poule en belangrijker nog, plaatsing voor het NK!

Haffie, hoe doe je het toch? Ik hoef je al niet meer te versieren, ik hoef alleen maar mezelf te zijn. En als dit is wie jij bent, ben ik gelukkig! Op deze manier is elke ontmoeting een uitje, waar ik vol verwachting en zonder spanning naar uitzie. Hoe anders moet dat zijn voor de 31 andere vrijers (hoewel, ik heb vernomen dat twee anderen ook al met je pronken), die naar je hand dingen… Ik weet immers dat je niet alleen van mij bent. Gelukkig zien we elkaar in ieder geval nog één maal, tot gauw!